Details
263 p.
Besprekingen
De Volkskrant
Erwin Mortier begon al jong te schrijven omdat onder het scheve, kreunende dak van het oude huis waar hij opgroeide, in het Oost-Vlaamse plattelandsdorpje Nevele, zo veel werd verzwegen.
'Waar zaken verzwegen worden', schrijft hij in zijn nieuwe essaybundel Vlaamse vergezichten, 'heeft de stilte het moeilijk om haar mond te houden. Alles lijkt van een heimelijk spreken doorstraald.'
Wie het werk van Erwin Mortier kent, weet wat er in het zwijgen verborgen lag. In zijn sensitieve, stilistisch superieure debuutroman Marcel (1999) ontsluiert een jongen wat door zijn grootmoeder, 'de averechtse baker van haar ras', met de mantel der liefde wordt bedekt: de familie was fout tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn grootoom Marcel, wiens verschoten foto door grootmoeder dagelijks wordt opgepoetst, blijkt te zijn gesneuveld als SS-soldaat aan het oostfront.
In Mortiers kleine roman De onbevlekte (2020) doet de verteller, ouder en wijzer geworden, de oorlogsgeschiedenis van de grootoom - die in werkelijkheid Jozef heette - nog eens uit de doeken en citeert uit Jozefs brieven naar het thuisfront. Beide romans zijn geen afrekening met het zwarte verleden, maar tedere, tastende pogingen om te begrijpen wat zijn grootouders had gedreven en was overkomen - zonder wat fout was goed te praten:
'Ik voel sterker dan voorheen de hardnekkigheid van mijn oorsprong, in haar pracht en pijn. En hoe troebel haar water soms ook mag zijn, je spuwt niet in de bron.'
In Vlaamse vergezichten vertelt Mortier hoe zijn grootmoeder hem als jongetje meenam op een IJzerbedevaart, waar hij onder de indruk raakte van de marcherende mannen en de wapperende vaandels met de Vlaamse Leeuw. Zijn vader, die niets zag in het fascistische gedachtegoed, leerde hem een belangrijke politieke les. Voor zijn zoon vertrok, deed hij met een grijnslach een dikke wollen sjaal in zijn rugzakje, ook al vond het spektakel 's zomers plaats:
'Het kan nogal tochten, met al die vaandels', knipoogde zijn vader. 'Zorg dat je niet verkouden raakt.'
In de essaybundel keert Mortier opnieuw terug naar het dorp, de streek en het landschap van zijn jeugd - en rolt het voor de lezer uit als een kleurig tapijt. Hij bezingt de grillige loop van de Leie, de rijen oneindige populieren in het laagland, waarvan hij als jongetje dacht dat ze fluisterden als de wind hun kruinen beroerde. 'Ik meende dat ze fluisterden omdat er in de wereld van de grote mensen zo vaak werd gefluisterd.'
Als zelfverklaard 'topofiel' kent Mortier gevoel en betekenis toe aan de Vlaamse aarde. 'Een landschap is voor mij geschiedenis, iets dat vorm kreeg op de snijlijn tussen de arbeid van de mens en het blinde spel van de natuur. Ons grootste cultuurgoed ligt letterlijk aan onze voeten.'
Met een knipoog naar Hendrik Conscience, de fameuze 19de-eeuwse verteller van wie wordt gezegd dat die zijn volk deed lezen, noemt Erwin Mortier zijn Vlaamse vergezichten 'een kleine cultuurgeschiedenis mijner jeugd'. Hij beschrijft zijn gretige ontdekking van de literatuur, de boeken van Cyriel Buysse, Virginie Loveling en Karel van de Woestijne, en al die anderen die zijn private Vlaamse canon zouden vormen. 'Ik las, gezeten op het ledikant waarin levens waren geopend en weer dichtgeslagen, met de hardnekkigheid van een houtworm in een draagbalk.'
Mortier was - en is - een obsessieve lezer. 'Het ene landschap na het andere schoof aan me voorbij. Ieder boek ontplooide zijn eigen dampkring, soms ademrijk, soms verstikkend, en gooide zijn eigen licht en kleurenspel over me heen. Ik leerde dat artistieke waarheid, anders dan de wetenschappelijke, eerder een kwestie is van retoriek en suggestie. Schrijven, fictie, poëzie is niet de waarheid liegen, het is de waarheid benaderen, omzichtig, in omtrekkende bewegingen.'
Een paar jaar geleden ontdekte Mortier - hij opent zijn boek op een zomeravond in Nevele, 1864 - dat hij een verre voorvader had, die in het midden van de 19de eeuw ook zedenverheffend literair werk verrichtte. Ene Jozef Tessely was secretaris en een van de oprichters van de letterkundige vereniging 'Moedertaal en Broedermin'.
Door toneelspel, literaire voordracht en welsprekendheidswedstrijden droeg dit soort verenigingen bij aan de ontwikkeling van de Vlaamse identiteit en taal van een staat die zo kort tevoren was ontstaan.
Hoewel Mortier het belang onderkent van de historische strijd voor de Nederlandse taal tegen de overheersende Franssprekende elite, houdt hij van de meertaligheid die zijn land kenmerkt. Mortier toont zich een melancholicus, maar geen nostalgicus. Scherp en kritisch is hij op het Vlaanderen van 'stofjassen en soutanes', op het dogmatische conservatisme van de katholieke kerk en het onderwijs 'met de rug naar de buitenwereld en het hoofd in de schouders', waarin aan een eigengereide leerling als hij geen ruimte werd gelaten: 'Boven de Vlaamse akkers hingen geen droom en nevel, er hing een rookgordijn. De Vlaam mocht denken, maar liefst niet te diep.'
Een klein mirakel noemt Mortier het, dat uit zo'n gespleten en getormenteerd land - in de vorige eeuw ook nog eens geteisterd door twee wereldoorlogen - zo'n 'bloeiende, veelstemmige, nieuwsgierige en roerige literatuur' is ontstaan, dat Vlaanderen Hugo Claus voortbracht, en Paul van Ostaijen, Louis Paul Boon en Leonard Nolens.
Vlaamse vergezichten is een rijk, gelaagd en aanstekelijk boek, waarin Erwin Mortier zijn herinneringen fijnzinnig verweeft met de geschiedenis van Vlaanderen, de Vlaamse taal, de literatuur en het landschap. Hij onderneemt een liefdevolle zoektocht naar de bronnen van zijn schrijverschap, maar reflecteert kritisch op de mythen en trauma's die de Vlaamse identiteit hebben gevormd. Ook de zijne. Als schrijver kan hij daar niet over zwijgen.